De mieren (Formicidae) van Vlaanderen.

 

Inleiding


Atlas Vlaanderen

Blauwtjes

Bosmieren

Checklist

Collectie

Communicatie

Curiosa

Databank

Determinatiesleutel

Fiches

Focus op ...

Fossielen

Gynandromorfen

Koloniestichting

Laatste update

Lieveheersbeestjes

Links

Literatuur

Mierenhandel

Nieuwe soort

Nieuwe publicaties

Wenst u op de hoogte gesteld te worden van de laatste wijzigingen? Stuur ons een mailtje met uw verzoek.

Plantenluizen

Projecten

Symbiose

Taxonomen

Werkgroep

home

Formicidae : Formicinae : Lasius : Chthonolasius : Lasius bicornis

Lasius bicornis (Förster)

Datum van de beschrijving: 1850
Beschreven door: Förster, pagina(s) 41.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Förster, A., 1850. Hymenopterologische Studien. 1. Formicariae. , Aachen. 74 pp.

Synoniemen:

  • Acanthomyops (Chthonolasius) bicornis subsp. kashmirensis Donisthorpe
  • Formicina microgyna Bondroit
  • Lasius bicornis var. neapolitana Emery
  • Lasius bicornis subsp. oertzeni Forel
  • Formica incisa Schenck

Nederlandse naam: langschubmier

* * * * *

typebeschrijving

20. Form. bicornis n. sp.


Femlna: Fusca, pilosula, sericeo-micans, mandibulis, antennis, pedibus, anoque testaceo-rufis; oculis parce pilosulis, occipite late emarginato; alis fuscescentibus, stigmate nervisque obscurioribus; abdominis segmenti primi squama angusta, subrectangula, apice profunde incisa, bicornuta.
Long. 2 1/4 lin.


Der Kopf ist reinbraun, kurz aber dicht anliegend und sehr fein behaart, sehr fein und dicht punktirt aber nicht runzlig; die Mandibeln, die Taster und Fühler rein rothgelb; erstre an der
Basis fast ganz glatt, mit einer vertieften schräg verlaufenden Linie, an der Spitze schwach längsrunzlig mit zerstreuten, tieferen Punkten, 6 - zähnig, die Zähne schwarzbraun gefärbt. Die Taster sehr kurz, von der Basis nach der Spitze hin allmählig dünner, das 1ste Glied ungefähr halb so lang wie das 2te, dieses mit dem 3ten von gleicher Länge, das 4te nur halb so lang wie das 3te, das 5te von der halfben Länge des 4ten, das 6te endlich nur wenig größer als das 5te., Die Fühler nur mäßig lang, der Schaft 2/3 der Länge der übrigen Glieder zusammen genommen betragend, von der Basis an in dem ersten Drittel seiner Länge sanft gebogen, dann grade und bis zu seiner Spitze allmählig und fast unmerklich dicker werdend. Das Stielchen fast doppelt so lang wie das 1ste Glied der Geißel, die übrigen Glieder der Geißel alle erwas länger als breit, das letzte Glied länger als die beiden vorhergehenden züzammengenommen. Der Clypeus sanft gewölbt, aber von der Fühlerwurzel ab nach dem Munde hin stark abschüssig, nicht gekielt, ja ohne alle Spur eines Kiels, nach oben hin nur durch eine feine Ouerlinie abgesetzt, nicht runzlig, sondern nur fein punktirt, glänzend. Ein Stirnfeld ist nicht deutlich abgesetzt; auf der Stirne zeigt sich eine feine, eingedrückte Ouerlinie, welche jedoch nach unten weder bis zum Clypeus hinab Doch nach oben bis zu den Nebenaugen hinaufreicht. Die Stirnlamellen sehr stumpf, roth durchscheinend. Die Netzaugen ziemlich groß, mäßig gewölbt, nicht in der Mitte des Kopfes seitwärts stehend, sondern etwas nach oben gerückt, die Nebenaugen groß, hell glänzend, weißlich. Das Hinterhaupt breit aber nicht tief ausgerandet, daher hat der Hintertheil des Kopfes nicht das eckige Aussehen der Form. fuliginosa Aut. oder der F. exsecta Nyl. Der ganze Kopf und selbst der Clypeus mit zerstreuten, längeren Borstenhaaren, grade wie der Mittel- und Hinterleib, am Vorderrand des Clypeus bilden diese Borsten deutlich eine Querreihe und die mittlern sind etwas länger als die seitswärts stehenden· Der Mittelleib hat dieselbe Sculptur und Behaarung wie der Kopf, die Borstenhaare entspringen aus grubenartigen Punkten, welche hier deutlicher als am Kopf sich zeigen. Das mesonotum hat die 3 vertieften Linien, wie bei herculanea, rufa u. s. w. die mittlere aber ist am wenigsten tief und deutlich. Der Metathorax auf dem Rücken von der Basis an steil abschüssig. Die Flügel schwach rußbraunlich, Randmal und Nerven braun. Wurzel und Flügelschüppchen rotbgelb, die 1ste Cubitalzelle von der 2ten nur durch eine kurze Brücke getrennt, die erste Diskoidalzelle fast kubisch, nach oben jedoch etwlls schmäler als nach unten. Die Beine rein rothgelb, die Hüften an der Spitze und die Trochanteren mit einigen Borstenhaaren, Schenkel und Schienen aber völlig nackt. Der Hinterleib von derselben Färbung wie der Mittelleib. Das erste Segment sehr kurz, rothgelb, mit brauner Schuppe. Diese letztere ist schmal, fast so hoch als der Rücken des Metathorax, von der Form eines länglichen Vierecks, an der vorderen Seite ganz grade abgeschnitten, an der hinteren nicht steil abfallend, daher an der Basis verhältnißmäßig dick, an der Spitze dagegen dünn, hier tief eiförmig eingeschnitten, so daß die beiden Seitenlappen gleichsam wie Hörner aufgerichtet dastehen, oben an der Spitze, so wie auch an der Seite mit langen Borstenhaaren gewimpert. Die übrigen Segmente zusammen rundlich-eiförmig, kaum von der Länge des Mittelleibs, und von derselben Färbe, Sulptur und Behaarung wie dieser; das 2te Segment an seiner abschüssigen Stelle und am Hinterrande, die übrigen bloß am Hinterrande mit einer Reihe von Borstenhaaren. Das 2-4te Segment hat am Hinterrande einen sehr schmalen, weißlichen , kaum in die Augen fallenden, häutigen Rand, das 5te dazu noch einen schmalen, rothgelben Saum am Hinterrande; das Aftersegment ganz rothgelb, mit längeren, dichter stehenden Borstenhaaren versehen; der Bauch scheint stark rothgelb duch, namentlich auf der Mitte des 2. und 3ten Segments, das 4te dagegen ist fast ganz braun, das 5te rothgelb. Die Stellung der Borsten auf der Bauch- wie auf der Rückenseite ganz gleich.

Bloß 1 Weibchen dieser Art würde in der Nähe von Aachen entdeckt.

* * * * *

 

 

Lasius bicornis

© Bernhard Seifert

Lasius bicornis is een uiterst zeldzame mier in West-Europa. Volgens Dekoninck & Grootaert (2005) werd de soort recent in ons land "herontdekt". Maar werd de soort nu voor de eerste keer gevonden of daadwerkelijk "her"ontdekt? Of die volgens Bondroit eerder in België werd gevonden, is een twijfelachtige zaak. In overleg met Wouter Dekoninck willen we hier de gegevens uit de literatuur opnieuw in overweging nemen. Dekoninck & Grootaert (2005) raadpleegden de publicatie van Bondroit, 1918 pagina 34. Voor de waarnemingen staat hier: Province de Liège: Hautes-Fagnes (1). Prusse rhénane: Aix-la-Chapelle (Förster). Hier citeert Bondroit zijn eigen, eerdere melding van 1912, maar wel op een andere wijze! Een kopie van een kopie kan een oudere publicatie onduidelijk maken en een punt wordt al eens meer een komma, zodat het citaat van Dekoninck & Grootaert weergegeven wordt als "Province de Liège: Hautes-Fagnes, Prusse rhénane: Aix-la-Chapelle; région située sur la frontière belgoprussienne à l'est de Spa". Dit leidt tot een interpretatie als zou Lasius bicornis ooit door Bondroit gevonden zijn te Aix-la-Chapelle, dat gelegen is in de Hoge-Venen ten oosten van Spa. Wat Bondroit (1918) ons zeker wil meedelen, is dat Förster de langschubmier vond in de buurt van Aix-la-Chapelle (= Aken!) in Duitsland (zie Typebeschrijving hierboven). Of een aparte vondst door Bondroit (namelijk 1 gyne) in de Hoge-Venen ten oosten van Spa daar los van staat, is maar zeer de vraag. Bondroit vermeldt in zijn eerdere publicatie (1912) voor Lasius bicornis: "Aix-la-Chapelle (Förster), Hautes-Fagnes, une gyne" (sic). Kunnen we dit anders lezen dan dat Förster in 'de buurt van' Aix-la-Chapelle (Aken, Duitsland) zijn waarneming deed en dat de vindplaats tot de Hoge-Venen werd gerekend? In de publicatie waarin Arnold Förster Formica bicornis beschrijft (gegevens hierboven) lezen we op pagina 5 dat het type-exemplaar (Formica bicornuta) uit de 'Rijnprovincie (Aachen)' afkomstig is. Het beschreven type is een gyne en als herkomst vermeldt hij op pagina 43: '1 Weibchen dieser Art wurde in der Nähe von Aachen entdeckt'. Wie wat heeft waargenomen in de 'Hoge-Venen' is in de lijst van Bondroit (1912) ook niet erg duidelijk zoals meteen mag blijken uit zijn inleiding (met een verwijzing naar prof. August Reichensperger (1878-1962)), waarin hij zegt: "Je crois utile de publier les quelques documents que j'ai rassemblés sur la faune myrmécologique des Hautes Fagnes.".

Het is dan ook nogal vaag zodat ook J. van Boven (1977) en Van Boven & Mabelis (1986) het citaat van Bondroit als een Belgische waarneming beschouwen. Bovendien willen wij nog opmerken dat er geen exemplaar van de langschubmier met een label van de Hoge-Venen aanwezig is in de collectie van Bondroit in het K.B.I.N. te Brussel. Hoe een citaat een eigen leven gaat leiden! Maar er is hier echter nog een andere factor in het spel en wel een politieke! Na de eerste wereldoorlog moest Duitsland in 1919, krachtens de vrede van Versailles het gebied van Eupen-Malmedy (Hoge-Venen) aan België afstaan. In 1940 werd het opnieuw bij Duitsland ingelijfd maar na de ineenstorting van het Derde Rijk kwam het opnieuw bij België. Of Lasius bicornis nu tijdens de eerste of de tweede wereldoorlog België heeft bezet, is ons niet duidelijk ;-).

Omdat een 'waarschijnlijke waarneming' werd vermeld in 1912 werd de soort dan ook als uitgestorven beschouwd voor ons land. Tijdens de zomer van 2003 werd voor het eerst in Vlaanderen een 'zekere' waarneming genoteerd. Er werd in Sint-Pieters-Voeren (Limburg) in het Alserbos een gevleugeld wijfje gevangen met een malaiseval. De val was opgesteld in een gemengd eiken-beukenbos. Ondanks intens zoeken in de omgeving werd er geen nest gevonden. Indien we alles nog even in overweging nemen en daarbij de melding van Bondroit laten voor wat ze is, namelijk vaag en twijfelachtig, kunnen we spreken van een eerste zekere vondst voor België. Voor Nederland werden er twee waarnemingen genoteerd (1912 en 1913) in het zuiden van de provincie Limburg (Peeters, T.M.J. et al, 2004).

* * * * *

In 2008 en 2009 werden twee gynen waargenomen. Op 4 mei 2008 werd een gevleugeld wijfje gezien te Awirs, in de Maasvallei ten zuidwesten van Luik en op 13 juni 2009 vondt men een gevleugeld wijfje temidden van meerdere wijfjes en mannetjes van Lasius fuliginosus te Elewijt (Zemst). (Dekoninck, W. et al.). Op 2-8-2013 ving Luc Crevecoeur met een lichtval een gevleugeld wijfje en twee mannetjes in het Veursbos te Voeren. Dit brengt het totaal aantal waarnemingen voor België op vier met twee locaties uit de Voerstreek. Als er een nest van deze soort zal gevonden worden dan is het meest waarschijnlijke dat dit in een vermolmde boom in de Voerstreek zal zijn.

* * * * *

 

gyne van de langschubmier

Eén van de voornaamste kenmerken van deze Lasius soort is de diep ingesneden schub.

* * * * *

* Bondroit, J., 1912. Fourmis des Hautes-Fagnes. Ann. Soc. Entom. Belg. LVI: 351-352.

* Bondroit, J., 1918. Les fourmis de France et de Belgique. Ann. de la Soc. Entom. de France - Vol. LXXXVII

* Dekoninck, W. & Grootaert, P., 2005. Rediscovery of Lasius bicornis (Förster, 1850) in Belgium (Hymenoptera: Formicidae). Bulletin S.R.B.E./K.B.V.E., 141: 27-29.

* Dekoninck, W., Wegnez, P. & D. Muls, 2009. Two records of the rare ant Lasius bicornis in Belgium. - Bulletin S.R.B.E./K.B.V.E., 145: 111-113.

* * * * *