Meerdere soorten mieren zijn voor hun voortbestaan aangewezen op de 'honingdauw' die door plantenluizen wordt uitgescheiden. We hebben ongetwijfeld al eens stilgestaan om het foerageerge
drag van bosmieren of de glanzende houtmier te observeren. Snelle mieren met een slank achterlijf lopen tegen een boomstam omhoog, verdwijnen in de kruin en keren merkelijk trager met opgezwollen achterlijf naar hun nest terug. Zij brachten een bezoek aan de bladluizenkolonie die zij als hun persoonlijk melkvee beschouwen en die zij koesteren en beschermen tegen predatoren zoals de larven van de lieveheersbeestjes. 'Voor wat hoort wat' is de afspraak en deze samenlevingsvorm waar beide partijen hun voordeel uit halen, noemt men mutualisme (lat. mutuus : geleend, wederkerig). Bladluizen komen zowat over de ganse aarde voor en door hun talrijke aanwezigheid en specifieke voedingswijze kunnen ze ernstig schade aan gewassen toebrengen en worden ze in de landbouw meestal bestreden.
Systematiek.
De bladluizen of Aphididae worden tegenwoordig ondergebracht in de onderorde Sternorrhyncha, samen met de schildluizen (Coccidae en Pseudococcidae), de bladvlooien (Psyllidae) en de witte vlieg (Aleyrodidae). Met de onderorde van de cicaden (Auchenorrhyncha) en de wantsen (Heteroptera) behoren ze tot de orde der snavelinsecten of Hemiptera. Bladluizen op naam brengen, is morfologisch haast een onmogelijke opdracht. In een studie van 1995 stellen E. Jörg en G. Lampel : "The taxa of the Aphis fabae group s. str. are morphologically difficult to separate or inseparable." De moeilijkheid om bladluizen te determineren is gedeeltelijk waarschijnlijk ook te wijten aan de verschillende verschijningsvormen die een enkele soort binnen een jaarcyclus doorloopt.
Levenscyclus.
Er bestaan twee typen ontwikkelingscycli :
- auto-ecisch : gastheer of waardplant specifiek (auto + Gr. oikos, huis = zelfde huis)
- hetero-ecisch : met wisselende gastheer of waardplant
Bij de auto-ecische cyclus bewonen de bladluizen één of een paar specifieke plantengenera - o.a. de zuringluis. Bij de hetero-ecische cyclus huizen de bladluizen op planten van twee verschillende families. Herfst, winter en lente vertoeven ze op een houtachtige waardplant (= de primaire waardplant) en in de zomer voeden ze zich op een kruidige plant (= secundaire waardplant) - o.a. de zwarte bonenluis.