De mieren (Formicidae) van Vlaanderen.

 

Inleiding


Atlas Vlaanderen

Blauwtjes

Bosmieren

Checklist

Collectie

Communicatie

Curiosa

Databank

Determinatiesleutel

Fiches

Focus op ...

Fossielen

Gynandromorfen

Koloniestichting

Laatste update

Lieveheersbeestjes

Links

Literatuur

Mierenhandel

Nieuwe soort

Nieuwe publicaties

Wenst u op de hoogte gesteld te worden van de laatste wijzigingen? Stuur ons een mailtje met uw verzoek.

Plantenluizen

Projecten

Symbiose

Taxonomen

Werkgroep

home

Formicidae : Formicinae : Lasius : Lasius s. str. : Lasius platythorax

Lasius platythorax Seifert

Datum van de beschrijving: 1991
Beschreven door: Seifert, pagina(s) 73.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Seifert, B., 1991. Lasius platythorax n. sp., a widespread sibling species of Lasius niger. Entomol. Gen. 16: 69-81.

Synoniemen:

Nederlandse naam: humusmier

* * * * *

 

clypeus als discriminant

 

 

 

 

Om onderscheid te maken tussen Lasius niger en Lasius platythorax gaat men onder andere kijken naar de dichtheid van beharing op de clypeus of de gemiddelde afstand tussen de pubescentie. Hiertoe deelt men de afstand van het midden van de clypeusachterkant tot de voorrand van de clypeusbuiging door het aantal pubescentieharen die deze lijn raken of snijden. Voor L. niger is dit gemiddeld < 16 µm terwijl dit voor L. platythorax > 19 µm is.

 

clypeus van Lasius niger

 

 

 

 

 

 

 

 

 

clypeus van Lasius platythorax

Deze morfometrische verschillen zijn zonder degelijke aparatuur niet te bepalen maar dit mag ons er niet van weerhouden onderscheid te maken tussen deze twee zustersoorten. Allereerst onderscheiden deze twee soorten zich door de keuze van hun nestplaatsen. Lasius niger of de Wegmier is van de twee soorten de cultuurvolger en zal voornamelijk te vinden zijn in de buurt van de mens. Zij bouwen uitgebreide nesten onder platte stenen (terrastegels) terwijl Lasius platythorax of de Humusmier zich beter thuisvoelt in de ongerepte natuur en liefst nestelt tussen plantenmateriaal (graspollen). Meestal is dit reeds een goede indicatie. Als we nu bovendien met een sterk loepje (of een bino) van een paar exemplaren uit hetzelfde nest de clypeus beoordelen op de dichtheid van de pubescentie, dan moet de nauwkeurige waarnemer, mits een beetje oefening, in staat zijn een juiste determinatie te doen.

* * * * *

Lasius platythorax behoort tot het subgenus Lasius sensu strictu zoals o.a. L. niger en L. psammophilus. De soorten van dit subgenus functioneren als gastheren voor de soorten van het subgenus Chthonolasius. Bevruchte gynen van het subgenus Chthonolasius kunnen namelijk niet zelfstandig de basis leggen van een nieuwe kolonie maar zijn daarvoor aangewezen op de 'hulp' van een kolonie Lasius s.str. (zie Koloniestichting). Blijkbaar is de relatie tussen stichters van Chthonolasius en de gastkolonie eerder opportuun maar waarnemingen van de laatste jaren uit enkele Europese landen verdienen toch onze aandacht en vragen om verdere opvolging.

Dekoninck et al. (2004) gaan ervan uit dat er twee methoden zijn om vast te stellen welke de uitverkoren soorten zijn voor de koninginnen van Chthonolasius. Indien we in het veld een kolonie aantreffen met twee verschillende soorten werksters dan is het duidelijk voor welke gastheer hier werd gekozen. De tweede methode bestaat erin vast te stellen welke gynen er na een bruidsvlucht op zoek zijn naar een geschikt gastnest en bovendien een evaluatie te maken van de aanwezige kolonies van Lasius s.str. binnen hun actieradius. Dit laatste kan uiteraard ook door veldwaarneming maar de meeste gegevens hiervan werden afgeleid uit bodemvallenonderzoek. De gevangen gynen worden geassocieerd met de werksters van Lasius s.str. die in dezelfde bodemvallen worden aangetroffen. Deze methode heeft haar beperkingen en alhoewel er geen 100 % zekere conclusies uit mogen getrokken worden, zal beoordeling van extra gegevens in de toekomst het percentage twijfel alleen maar verlagen. Uit de thans beschikbare data blijkt dat Lasius platythorax de uitverkoren gastheer is voor L. distinguendus, L. meridionalis, L. sabularum en L. umbratus.

De strategie die de usurpatorische gynen volgen om hun doel te bereiken, kan in twee hypothesen gesteld worden. Uit waarnemingen kunnen we afleiden dat stichtende koninginnen van Chthonolasius van de hetse rondom de bruidsvlucht bij Lasius s.str. gebruik maken om, na het aannemen van de juiste 'nestgeur' in het vreemde nest binnen te dringen, de aanwezige koningin te doden en aan de grondlegging van een eigen volk te beginnen. Deze methode wordt de 'chemische camouflage-strategie' genoemd. Bij de tweede methode, de 'lage temperatuur-strategie' maken de stichtende gynen van Chthonolasius gebruik van de verminderde activiteit in de wintermaanden om de controle van een kolonie over te nemen.

* Dekoninck, W., Boer, P., & Maelfait, J-P., 2004. Lasius platythorax Seifert as a temporary host of various Chthonolasius-species with remarks on the colony foundation of the parasites (Hymenoptera: Formicidae). Myrmecological News, 6: 5-8.

* Steiner, F.M., Schlick-Steiner, B.C., Seifert, B. & Straka, U. 2002. Lasius platythorax host of Lasius distinguendus (Hymenoptera, Formicidae). – Insectes Sociaux 49: 299.

 

* * * * *